De Geschiedenis van Amsterdam

Amsterdam verschijnt voor het eerst in de geschreven geschiedenis in 1275 als graaf Floris V de mensen die bij de dam in de Amstel wonen, vrije vaart verleent over de Hollandse wateren. De verlening van dit 'tolprivilege' was een zet in een jarenlange strijd om de macht in het gebied. Het Amstelland, behoorde namelijk tot het bisdom Utrecht. Namens de bisschop werd de streek bestuurd door de heren van Amstel.

In de zeventiende eeuw realiseerde Amsterdam twee reusachtige stadsuitbreidingen. De beroemde grachtengordel en de Jordaan maakten hiervan deel uit. Voor het eerst werd niet alleen gelet op functionaliteit maar ook op de schoonheid van de stadsaanleg. Verschillende nieuwe, protestantse, kerken verrezen, zoals de Zuiderkerk, de Noorderkerk en de Westerkerk. Ook kreeg Amsterdam een nieuw stadhuis, passend bij de belangrijke positie die de stad nationaal en internationaal innam.

De grachten worden doorsneden door een aantal smalle radiaalgrachten en straten die aan de stadsrand eindigen in pleinen, waar zich de stadspoorten bevonden. Het 'VenetiŽ van het Noorden' bestaat uit ongeveer 90 eilanden, gescheiden door zo'n 100 km gracht en verbonden door meer dan 200 bruggen, waarvan de de Magere brug de meest bekende is.